Vijf broden en twee vissen

Soms ben je zo aan dingen gewend dat je het bijzondere ervan niet meer ziet. Zo gaat het bij mij vaak als ik in de Bijbel lees. Ik ben ermee opgevoed. Tientallen keren heb ik de wonderen van Jezus al gelezen of horen vertellen. Een dode jongen wordt weer levend. Tien leprapatiënten worden plotseling genezen. Ik geloof dat het allemaal echt is gebeurd, en toch sta ik er vaak niet echt bij stil.

Maar soms is het even anders. Vanavond lazen we aan tafel Mattheüs 14. Het eerste deel van dat hoofdstuk is nogal gruwelijk. Johannes de Doper, de ‘wegbereider’ van Jezus, wordt in de cel onthoofd. Jezus hoort ervan en vertrekt. Hij wil alleen zijn. Maar dat mislukt – iedereen komt hem achterna. Vervuld met mededogen geneest hij de zieken die bij hem gebracht worden.

En dan komen Jezus’ leerlingen hem vertellen dat het avond is en dat hij al die mensen maar weg moet sturen om eten te halen. ‘Nee,’ zegt Jezus, ‘geven jullie ze maar te eten.’ De discipelen protesteren. Ze hebben bij lange na niet genoeg eten. Vijf broden en twee vissen op duizenden mensen, wat kun je daar nou mee? Maar Jezus luistert niet naar hun protest. Hij laat iedereen op het gras zitten, bidt voor het eten en verdeelt het brood en de vissen. De mensen eten tot ze genoeg hebben en er blijven twaalf manden met eten over.

Van vijf broden en twee vissen ja.

Ik kan dit verhaal niet meer gewoon vinden. Dit kan niet waar zijn, tenzij God het onmogelijke mogelijk kan maken. En dat geloof ik. En daarom geloof ik ook dat deze God nog steeds voor jou, mij en de wereld zorgt. En dat deze God het waard is om mijn hele hart te krijgen.

Advertenties